projecten > vissers in WOII
ontwerp + realisatie: IDOS grafische vormgeving 
PROJECTMENU:
Vissers in de Tweede Wereldoorlog
Het volgende project dat SMG aanpakt gaat over vissers in de Tweede Wereldoorlog. In het bijzonder de vissers uit Vlaardingen, Scheveningen, Katwijk en IJmuiden.

De geschiedenis
Rond het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in 1939 werd de Nederlandse visserij-industrie (zee- en kustvisserij, verwerkende industrie, transport en handel) nog gekenmerkt door een eeuwenoude verdeling in de zogenaamde grote en kleine visserij.

Grote visserij: haring - drijfnetvisserij op de Noordzee vanuit Vlaardingen, Scheveningen en Katwijk in oude rederijstructuur waarin productie en handel in een hand waren verenigd. De haringhandel was vooral gericht op export.
Sinds de opkomst van de gemechaniseerde (stoom) trawlvisserij vanuit IJmuiden (v.a. ca. 1895) werd ook deze, doorgaans in rederij (NV –vorm) georganiseerde visserij op rond- en platvis (Noordzee en Noordelijke wateren) tot de grote visserij gerekend. Deze verse vis visserij richtte zich primair op de binnenlandse afzet

Kleine visserij: kustvisserij op de Hollandse en Fries-Groningse kust, Zeeuwse Wateren en Zuiderzee, voornamelijk georganiseerd in familieverband door schipper-eigenaren. Productie (vissen) is gescheiden van verwerking (zouten, roken, verpakken), handel en transport.

Tegen het einde van de jaren dertig begonnen alle sectoren van de visserij aarzelend uit een zeer diep economisch dal te komen. De internationale afzet begon aan te trekken. In de acht maanden tussen het uitbreken van de oorlog en de bezetting van Nederland profiteerde de visserij van sterk stijgende prijzen en het wegvallen van een deel van de Engelse en Duitse concurrentie omdat vooral de trawlervloten van deze landen werden gevorderd voor marinetaken. Uiteraard ging deze opleving in de visserij ook gepaard met de eerste totaalverliezen door oorlogsgeweld.

In de meidagen van 1940 lag de gehele Nederlandse loggervloot in de thuishavens. De trawlervloot was grotendeels op zee en werd of naar IJmuiden geroepen of, in afwachting van de ontwikkelingen naar een Engelse haven gedirigeerd. De kustvloot zocht met spoed een haven op. Wat vervolgens gebeurde komt ruwweg op het volgende neer:
In de loop van 1940/’41 werd vrijwel de gehele loggervloot gevorderd door de Duitsers. In de regel werd goed betaald voor de grotendeels verouderde schepen.
De trawlervloot kwam voor ongeveer de helft in Engeland terecht. Deels direct uit zee, deels doordat reders hun schepen in de chaotische meidagen die kant op stuurden en voor en klein deel omdat, in diezelfde dagen, vluchtelingen de schepen huurden om in veiligheid te komen. Deze schepen en hun bemanningen werden doorgaans ingezet in de geallieerde mijnenbestrijding. Van de achterblijvende schepen werd het meest moderne deel gevorderd. Oudere schepen bleven actief in de kustvisserij onder Duits gezag.
De grote, veelal verouderde en in slecht onderhoud verkerende kustvloot werd voor een klein deel (wederom de beste schepen met de krachtigste motoren) in de eerste twee jaren van de bezetting gevorderd en ingezet als begeleidings- en patrouilleschip in de kustwateren (Vorpostenboote). Het resterende deel bleef onder Duits militair en Nederlands politiegezag vissen.

In tegenstelling tot een in visserijkringen levend gehouden beeld was de visserij onder Duits gezag, relatief gesproken en vergeleken met bijvoorbeeld de binnenvaart in oorlogstijd, niet extra risicovol. Het mijnengevaar in de kustwateren was gering en de meeste ellende voor de vissers werd veroorzaakt door Engelse jachtvliegers die de Duitse voedselvoorziening wilden hinderen. Aangezien de meeste kustvissers nog op de zeilen voeren met, waar nodig, inzet van zwakke en verouderde hulpmotoren, waren zij een gemakkelijk doelwit voor luchtacties.

De verdiensten echter waren aanzienlijk beter dan in de desastreuze jaren dertig. Duitsland had geleerd van de eerste wereldoorlog en zette van meet af aan in de bezette landen, met name in Noorwegen en Denemarken, een efficiënte visverwerkings- en afzetstructuur op. In Nederland was dit veel minder het geval, omdat de Nederlandse kustwateren onder directe Engelse marine en luchtmachtinvloed lagen. Maar toch, de waarde van de aan de IJmuidense visafslag geveilde vis bedroeg in 1942 maar liefst het dubbele van het totaalcijfer in 1938. Zelfs in 1944, toen de haven van IJmuiden herhaaldelijk zwaar gebombardeerd was de aanvoerwaarde nog altijd iets hoger dan in 1939.

In het laatste oorlogsjaar dirigeerde de bezetter een vloot vissersschepen naar de enige ‘open’ zeehaven van ons land, Delfzijl, om van daaruit de kustvisserij in de Duitse bocht te beoefenen. Gezien de per dag groeiende geallieerde overmacht op zee en in de lucht werd dit geen succes.

De haringvisserij kwam vanaf de eerste dagen van de bezetting niet meer van de grond en speelde als ruggengraat van de Nederlandse zeevisserij en vishandel geen rol meer gedurende de oorlog.

De verse vis visserij in de kustwateren vanuit IJmuiden met stoomtrawlers kleine kustvissersschepen, ging op bescheiden schaal door. De waarde van de aanvoer steeg substantieel. De verdiensten waren uitstekend


Oproep
Als u zelf tot de groep behoort waarover het project gaat, of als u iemand kent uit die ervaringsgemeenschap, neem dan contact met ons op:
of Kees Plaisier 06 - 290 110 09